Heb ik je al verteld…?

Dirk Simoens legt in een bijna poëtisch verhaal de link tussen de “radàr” uit zijn kinderjaren en zijn PPL.
De hoofdrol wordt gespeeld door de NDB MAK.
   alt   alt
Heb ik je al verteld, Tom, waar mijn interesse in de luchtvaart ontstaan is ? Wat bij mij de trigger was die de vonk
heeft doen overslaan?

Zoals bij de meesten onder ons moeten wij hiervoor terug naar onze jeugd. In de prille jeugd wordt nogal eens de
basis gelegd van wat wij vandaag zijn en doen. En dat wij na al die jaren niets veranderd zijn dat zien wij nu in

onze kinderen en kleinkinderen.
Als kind in de vroege jaren zestig ging ik vaak alleen, soms met jongens uit de buurt, gaan zwerven over de velden
en langs de weiden van ons dorp. Ik was toen zo’n jaar of acht.
Ons dorp was toen nog een dorp. Je kon er toen nog ademen en denken, en als je thuiskwam met zwarte knieën
was er niemand die daarvan opkeek. Dat was normaal. Het ware abnormaal geweest ware het niet zo geweest.
Enfin. Onze tochten voerden ons toen door bietenvelden of naar gelang het seizoen door patattenvelden, langs
prikkeldraad en over sloten en beekjes. Met “ons botjes” aan, met bottinen of sandaaltjes, al naar gelang het
seizoen.

Wij waren de heersers over de kouter. Wij wisten alle nesten zitten, wisten elke kersenboom uit de buurt staan, en
wisten hoe die te benaderen zonder grote mensen onnodig lastig te vallen. Ik herinner me niet ooit te koud of te
warm gehad te hebben. Hoe kom ik daar nu bij? We werden wakker door het geblaat van de schapen en
stonden op om alles te doen om die eindeloze dag met de meest belangrijke dingen te vullen. Of niet te vullen.
De spannendste uren waren deze vóór zonsondergang. Met ons zorromasker en onze houten degen. Niemand had
ons ooit gemist of vroeg waar wij gezeten hadden. Als we maar in ons bed geraakten met gewassen of
ongewassen knieën.
Het verste punt in onze strooptochten was de radar. Verder dan de radar gingen wij nooit. Daar konden wij met
onze rug in het gras naar de vliegtuigen liggen kijken die onnoemelijk hoog boven ons witte strepen trokken in de
zomerlucht. Die vliegtuigen stonden op een of andere mysterieuze wijze in verbinding met de radar. Draadloos,
zover waren wij al mee. Zij hadden de radar nodig om te weten waar zij waren, en waar zij naartoe moesten.
Maar hoe dat precies in mekaar zat ging ons Molteni-petje te boven. Het interesseerde ons ook niet echt, alleen
dat de vliegers de radar nodig hadden, onze radar, dat maakte ons toen al medeplichtig met de piloten in die
vliegers. Wij zouden zorgen voor de radar. Zij konden zich ongestoord concentreren op het sturen in de cabine.
Toen al wisten wij dat wij ooit ook wel piloot zouden worden, maar zoiets werd niet uitgesproken, dat was ons
geheim voor later, als we groot waren. We vertelden het zelfs niet aan ons medebendeleden.
De radar bestond toen nog uit twee houten telefoonpalen met bovenaan een dwarsbalk. Zoals twee T’s, verbonden
met elkaar door twee koperdraden waar in het midden een verbinding was met een neerhangend
gewicht. Daarnaast stond een klein stenen gebouwtje met een deur en een klein venstertje. In het gebouw
hoorden wij een ononderbroken gezoem en zacht gereutel. De radar en het gebouwtje stonden op een stuk grond
van ongeveer toch 50 op 25 meter, omheind door een ruitjesdraad van ongeveer 1,60 meter hoog.

                                  alt

Het is nooit in ons opgekomen om het domein te betreden, laat staan het huisje binnen te gaan. Daarvoor was ons plichtsbesef
van “Bewaarders van de Radar” te groot. Geen van ons zou de onuitgesproken piloteneed beschaamd willen
hebben.
De weg van en naar de radar kenden wij als onze broekzak. Van overal op ons stroopgebied konden wij de
pylonen zien staan. Die pylonen en de stand van de zon brachten ons steeds weer thuis. Zij het niet altijd op tijd.

Tussen de vonk en het vuur is wel een periode van 30 jaar komen te liggen. Je weet, Tom, tussen droom en daad
staan wetten in de weg, en financiële bezwaren.
Die dertig jaren zijn voorbijgevlogen zoals men pleegt te zeggen. Waar naartoe? Geen mens die het weet. Of
toch. Naar hier zeker?
Toen ik tijdens mijn opleiding, met Daniël naast mij in de EBU, hem er attent op maakte dat de ADF inop was,
antwoordde hij bijna achteloos, terwijl hij iets aan het noteren was in mijn lesschriftje, zo geheel onbewogen, dat
ADF’s niet meer zouden vervangen worden. Wegens te duur, en overbodig op termijn, gezien de NDB’s toch
zouden verdwijnen en de GPS toch alles zou overnemen.
Hoe ik mij toen voelde, wat ik toen dacht. Dat is met geen woorden te beschrijven. Was de schroef stilgevallen,
had men mijn linkerarm afgezaagd, ik had het niet gemerkt. De wereld stond stil. Ik hoorde niets meer, ik zag
niets meer. Alles weg. Maar bon, je kent dat, hé, er moet altijd wel nog eens geland worden, dus fuelpump on,
landinglight on, en flaps 1.
Tot dan toe waren mijn navigaties gebaseerd op de MAK.
Na TO richting MAK en dan verder.

                                     alt

Bij het terugkeren, eerst over de MAK en dan naar het plein.
Zo eenvoudig was dat. En altijd juist. Nooit problemen mee gehad.
Van het plein naar de MAK, of van de MAK naar het plein, die weg ken ik als mijn broekzak.
Neem de MAK weg en ik verdwijn zoals de Saint-Exupéry. A jamais. Adieu. Bye bye.
Inderdaad sijpelden de eerste GPSjes het clublokaal binnen.
En duur. En blinken. En batterijen plat. En geen bereik.
Altijd wat.
Mietjes.
Een beetje piloot vliegt op zijn instrumenten. Geef hem een kompas, een ADF, de zon, links en rechts en onder
en boven en hij vliegt de wereld rond.
Is Daniël vergeten dat hij 30 jaar lang van NDB naar NDB vloog ?
Zoals een bij van bloem naar bloem ?
De wereld rond. Op elk continent had hij wel een NDBtje. En door al die NDBtjes kwam hij toch steeds weer
thuis.
Dank u NDBtje.

Die bewuste 8 april 2008.
Ik was ‘s morgens 2 appelsiensapjes aan het persen (dertig jaar getrouwd, alle middelen om de liefde te
onderhouden zijn gewettigd) toen ik door mijn keukenraam beweging zag aan de radar. Te weten, ik woon nu
nog 400 meter dichter bij de radar sinds mijn kindertijd, namelijk op een 100 meter ten W-ZW ervan. Nooit
beweging gezien, altijd alles rustig in zijn zoemende aanwezigheid. De zekerheid, een baken in ons (laten we
eerlijk zijn) nietig bestaan.
Maar Nu waren Ze daar. Ik had algauw Ria haar kodakje gevonden en stond in een mummetje aan de radar.

                                        alt

Ria lag nog in haar bed, anders had ze weer kunnen zeggen “en voor het vliegen kunt ge wél op tijd gereed zijn”.
De rilling die ik voelde toen ik het terreintje opstapte kon ook te wijten geweest zijn aan de ochtendtemperatuur.
Ik werd bekeken door 4 mannen. Dat zij vroeg opgestaan waren, en van ver kwamen was duidelijk. Hun voertuigen
hadden Luxemburgse nummerplaten. En dat zij wisten wat zij kwamen doen ook, want zij draalden niet
en deden naarstig verder. De een was een dikke elektriciteitskabel aan het ontrollen, een andere was een metalen
koffer aan het uitladen, de zichtbaar oudste ging eerst gedecideerd een plasje plegen. De snor, van middelbare
leeftijd en niet onmiddellijk van plan iets in zijn handen te nemen, keek mij vragend aan en schikte zijn das een
beetje proper.
Toen ik hem beleefd vroeg (ik wilde immers niet als de eerste de beste hond het erf af geschopt worden) waaruit
de opdracht van de heren wel bestond, en of ik soms niet eens een klein fotootje binnen in het huisje mocht
maken, trok hij zijn ogen nog iets wijder open en stamelde iets verontschuldigends. Uit de klankenreeks meende
ik te kunnen opmaken dat mijnheer misschien wel duitssprekend kon zijn en alsof ik dagelijks gewoon was mijzelf
simultaan in eender welke taal te vertalen herhaalde ik dus gewoon alles in het Duits, er wel nauwlettend rekening
mee houdend de woorden “schnell” ,”papiere” en “aufmachen” te ontwijken. Herr Schnurrbart lachte zichtbaar
opgelucht al zijn tanden bloot en wist mij te vertellen dat zij in opdracht van het ministerie te Oostende negen
radars, wie viele? Neun? Jawohl neun radars over gans Belgien zouden renovieren en van nieuwe apparatuur
voorzien.

                                           alt

Hoe die gasten dan ‘s avonds nog bij mij thuis frieten met stoverij “weest” eten zijn, en hoe zij, toen mijn Leffe op
was, nog een volle bak uit hun camionette haalden, en hoe Ria hierover dacht ‘s anderendaagsochtend, vertel ik
je later nog wel eens.
Mocht je Daniël eerder zien dan ikzelf, zeg hem dan dat ‘neun‘ duits is. En dat het ‘negen’ betekent.
Ik stuur je nog een paar fotootjes en een filmpje mee.
https://picasaweb.google.com/lh/sredir?
uname=ria.wancour&target=ALBUM&id=5623271364954063345&authkey=Gv1sRgCP7HlODi6OOWrQE&f
eat=email
http://www.youtube.com/watch?v=oGnkohQ5yTM
Vergeet niet de groeten te doen aan Leen.
Dirk

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.